Laatst zei iemand tegen me: “Je bent wel een beetje druk, hè?” Vroeger zou ik dat hebben opgevat als kritiek, alsof mijn enthousiasme iets is om af te remmen. Maar toen ik besloot die zin te vertalen naar: “Wat fijn dat je zoveel energie hebt”, veranderde er iets. Niet in de observatie van die ander, maar in mijn eigen gevoel. Mijn schouders zakten omlaag, mijn glimlach bleef staan en ik dacht: ja, zo wil ik gezien worden.

Taal kan je opbouwen of neerhalen. Het gaat om de woorden die je kiest. Als een collega tegen je zegt: “Dat verslag zit vol fouten”, voelt dat als een mokerslag. Maar zegt diezelfde collega: “Als je dit en dat nog aanscherpt, wordt het echt sterk”, dan verandert dezelfde boodschap in opbouwende kritiek. De inhoud is bijna hetzelfde, de uitwerking compleet anders.
Ik merk dat ik mezelf daar ook steeds vaker in corrigeer. In een appje aan een vriendin schreef ik eerst: “Sorry dat ik zo laat reageer.” Het klonk al vermoeid voordat zij het überhaupt gelezen had. Dus maakte ik ervan: “Dank voor je geduld, ik reageer nu eindelijk!” Haar antwoord? Een lachende smiley en: “Altijd goed.” Kleine woorden, groot effect.
Het mooiste vind ik hoe taal ook mijn eigen stemming kan sturen. In plaats van tegen mezelf te zeggen: “Ik moet nog sporten”, probeer ik: “Ik gun mezelf beweging.” Het klinkt misschien een beetje klef, maar geloof me: de sportschoenen aantrekken gaat nét wat makkelijker.
Taal is zelden neutraal. Zelfs als we feiten benoemen, kleurt onze toon mee. Woorden dragen gevoel, intentie en context. En precies daarom doen ze ertoe. Dus nee, ik ben niet druk. Ik ben bruisend. Niet kritisch, maar scherp. En als ik soms te veel ben? Dan ben ik gewoon overvloed. Want zeg nou eerlijk: dat klinkt toch veel beter?